
Groepsfases
Groepen volgen een bepaalde ontwikkeling. Lang gebruikten we daarvoor het bekende rijtje van Tuckman (forming, storming, performing, adjourning/termination). De werkelijkheid blijkt gecompliceerder. Bovendien heeft Tuckman deze opsomming nooit gemaakt voor het onderwijs.[1] We weten inmiddels om te beginnen dat roepen gaan soms terug naar een vorige fase, bijvoorbeeld bij een heftige gebeurtenis, leerkrachtwisseling of een nieuwe leerling in de klas. Soms blijven groepen in een fase steken. Er zijn bijvoorbeeld groepen die niet uit de invloedsfase komen en het hele jaar onrustig blijven. Na de invloedsfase kan de groep terugkeren naar de oude norm, of er kan een nieuwe norm ontstaan door de invloed van een (paar) leerlingen op de groep.[2] Het schooljaar zien als fases (welke je dan ook gebruikt), heeft het gevaar in zich dat je alleen in de zogenaamde gouden weken aan groepsvorming werkt, terwijl je dat het hele jaar moet blijven doen. Aan de andere kant geeft het houvast.
Belangrijk: Geen van de alternatieven voor de theorie van Tuckman is onderzocht op bruikbaarheid in het basisonderwijs. De in dit artikel gebruikte fasen komen uit het boek van René van Engelen. Het is nog niet precies duidelijk of toepassing van alternatieven voor Tuckman zouden kunnen bijdragen aan een positief klasklimaat Kennisrotonde, 2029).[3] De algemene handreikingen om met je klas om te gaan zijn dat wel (werken aan normen, routines, positieve activiteiten).
Werken aan groepsverantwoordelijkheid
Waarom expliciet aandacht voor je groep? Het is belangrijk om vanaf minuut één te werken aan een zeer sterke vorm van preventie van probleemgedrag: de groepsverantwoordelijkheid. Over het algemeen wordt er veel gehandeld richting ‘kind’ en minder richting ‘groep’. Toch kan de ‘meerderheid van je klas’ een zeer sterke factor zijn die je kunt benutten. Ik vind dat als er in een klas bijvoorbeeld gepest wordt, de klas een taak heeft. Namelijk de gepeste bijstaan en de pester corrigeren. Je kunt kinderen leren dat een kind dat negatief gedrag vertoont en voor wie ze misschien bang zijn, gestopt kan worden door de rest van de groep. Datzelfde geldt voor situaties waarin kinderen verdrietig zijn, of boos, en willen gaan vechten. De groep moet helpen. En de groep kan dat ook.
Hierna staan de fases die een klas doorloopt[4], de periodes die genoemd worden, zijn niet absoluut en verschillen sterk per klas.
Voorfase: Begin al met groepsvorming vóór het schooljaar gestart is. Dit wordt ook wel de voorfase genoemd. Het is aan te bevelen om eind van het schooljaar, een paar weken voor de zomervakantie te weten welke klas je krijgt. Je kunt dan namelijk vast contact leggen met de kinderen die te boek staan als ‘lastig’. Zoek ze even op in de pauze of voor schooltijd, laat ze een klusje doen voor je, enz.
In de voorfase wordt bekeken hoe je de groep zo optimaal mogelijk kunt samenstellen. Kijk bijvoorbeeld naar vriendschappen (zijn die belemmerend of helpend).[5] Bedenk op basis van de gegevens van de vorige klassenleerkracht(en) waar je welke kinderen neerzet. Gebruik hiervoor eventueel het laatste sociogram dat vorig schooljaar (mei/juni) gemaakt is. Kinderen een beredeneerde plek geven, kan bijdragen aan een goed klassenklimaat. Soms is het nodig twee klassen te mixen (dat kan natuurlijk niet altijd en is ook ingrijpend, maar desalniettemin soms nodig).
Oriëntatiefase: Deze duurt gemiddeld twee weken, maar groepen die elkaar kennen gaan hier meestal veel sneller doorheen (denk in dagen). De groepsleden kennen elkaar nog niet; of als de groep vorig jaar al bij elkaar was, weten de groepsleden niet of alles bij het oude is gebleven. Hoe jonger kinderen zijn, hoe meer ze in de grote vakantie zijn veranderd.
Onderwijsbehoefte: Geef de kinderen snel duidelijkheid. ‘Wat wordt van mij verwacht? Hoe doen wij het hier? Is deze juf/meester aardig? Mogen hier dingen die vorig jaar niet mochten? Wat gebeurt er als je niet doet wat er wordt gevraagd? In deze fase ontdekken kinderen ook dingen als: Hoe gaan we echt met elkaar om (los van de afgesproken regels)? Wie is hier echt de baas? De leerkracht of (een van) de kinderen? Mag ik mezelf zijn of kan ik beter stoer doen/mezelf onzichtbaar maken? De leerkracht geeft zo snel mogelijk duidelijkheid over de normen in de groep. In deze fase leg je de routines uit en oefen je ze keer op keer voor optimale duidelijkheid. het hanteren van consequente en hoge verwachtingen en het maken van duidelijke afspraken, zorgt voor gedragsrust.
In deze fase praat je ook met de klas over ‘Wat voor klas willen wij zijn? Wat is daar voor nodig? Hoe doe je dat dan? Betrek invloedrijke leerlingen bij de groepsvorming, maak van hen positieve leiders die een positieve norm laten zien.
Invloedsfase: Deze fase duurt ongeveer twee weken. Kinderen gaan zich in meer of mindere mate profileren. ‘Mijn mening moet gehoord worden, ik ben er ook.’ Soms zijn er botsingen, onenigheid en ruzietjes. Dit hoort bij deze fase en hoeft niet verontrustend te zijn. De hiërarchie wordt bepaald, de normen vastgelegd.
Onderwijsbehoefte: De leerkracht helpt positieve normen te formuleren en leert de groep conflicten op een goede manier op te lossen. ‘Een conflict is niet erg: wij praten dat uit.’ De leerkracht leeft voor hoe je respect toont en meningsverschillen accepteert. Hij besteedt aandacht aan het voorkomen van pestgedrag en neemt daarin stevig stelling. Hij maakt de groep ook telkens bewust van de (gewenste) groepsnorm. ‘Ik zie dat jullie allemaal stil aan het werk zijn. Fijn!’ ‘Ik zag dat jullie Luuk vroegen of hij mee wilde doen toen hij langs de kant stond. Wat goed dat jullie dat zagen. Ik ben trots op jullie.’ Door telkens te laten zien dat ‘we’ het met zijn allen goed doen als we elkaar helpen en voor elkaar zorgen, ontstaat een positieve groepsnorm. De klas vindt dat aardig doen en voor elkaar zorgen ‘normaal’ is.
Affectiefase: Er is nu duidelijkheid in de hiërarchie. In deze fase ontstaat vertrouwen in elkaar en verdiepen relaties zich. Kinderen weten hoe andere reageren en bepalen wat ze wel en niet willen delen. Belangrijk: er zijn k lassen waar de strijd om de bovenste plek in de hiërarchie het hele jaar doorgaat!
Onderwijsbehoeften in deze fase: De leerkracht besteedt indien nodig veel aandacht aan waarom we iets wel of niet doen en hoe we dingen voor iedereen ‘beter’ kunnen maken. ‘Hoe zorgen wij voor elkaar?’ Kinderen moeten leren dat hun acties invloed hebben op de groep en gevolgen hebben voor anderen. De groepsleden voelen zich veilig en functioneert goed.
Fase van de autonome groep: De rest van het jaar. De groep is klaar voor het werken. Deze fase start bij een groep die echt nieuw is na anderhalf tot twee maanden (meestal rond de herfstvakantie). Bij een groep die elkaar al kent, kan deze fase al na twee weken ingaan. Een groep die negatief is, bereikt deze fase niet.[6]
Onderwijsbehoeften van de groep in deze fase: de leerkracht zorgt voor het onderhoud van de groepssfeer. Dat kan door veel coöperatieve werkvormen te gebruiken, peer tutoring te gebruiken (kinderen leggen uit aan elkaar), regelmatig met de groep te praten over hoe het gaat (klassenvergaderingen) en de groep verantwoordelijkheid te geven voor steeds meer zaken (maar wel binnen door jou vastgestelde kaders).
Afsluitingsfase: De groep nadert het eind van het jaar. Het kan zijn dat kinderen gaan mopperen op alles en iedereen. Zo wordt het afscheid minder zwaar. Ook kunnen groepjes gaan klitten. Als laatste kan er normvervaging optreden. Nu alles toch ophoudt, zijn de groepsregels ook niet meer zo belangrijk. Het is duidelijk dat groepen 8 deze fase heviger doormaken dan de andere groepen op school.
Onderwijsbehoeften van de groep in de adjourningfase: de leerkracht zorgt ervoor dat de afspraken van dit jaar blijven gelden. Hij zorgt voor leuke activiteiten en bereidt de groep voor op het afscheid.
Zoals gezegd keert een groep soms naar de vorige fases terug als er bijvoorbeeld een nieuw kind in de groep komt. Als je een klas met nieuwkomers hebt, waar kinderen het hele jaar in en uitstromen[7], of je hebt een kleutergroep, waar telkens kinderen bijkomen, moet je extra aandacht besteden aan ‘Zo gaan wij met elkaar om .’ Terugval naar de vorige fase kan ook gebeuren na een heel hevig conflict, wanneer er een invalleerkracht komt of als er een ingrijpende gebeurtenis plaatsvindt. Bedenk telkens: de leraar vervult een cruciale rol en heeft grote invloed op de groepsvorming.[8]
Een goede groep maken. Alles op een rij.
Een “goede groep” ( een groep waar kinderen gevoelde veiligheid ervaren en waar ze tot leren komen) voorkomt veel gedragsproblemen. Hoe kun je jouw groep met behulp van deze kennis veranderen in een positieve goed werkende groep?
Laat zelf het goede voorbeeldgedrag zien. Neem de kinderen zoals ze zijn, toon respect.
Begin vanaf minuut één al met de norming. In het begin van het groepsproces kun je zorgen dat de groep tot positieve normen komt. Dit doe je onder andere door te praten over wat “goed” is in de klas en door dat goede voor te doen.
Maak de groep telkens bewust van de (gewenste) groepsnorm.
Bespreek expliciet met je groep wat een “goede leider” is. Wat een goede leider doet en tot welke grens je de leider volgt. Je hebt een goede kans dat de leiders in je klas zich hiernaar gaan gedragen. Ze willen immers leider zijn?
Bij gesprekken over normen in de groep kun je het gesprek sturen door kinderen aan het woord te laten die vrijwel zeker een positieve norm benoemen.
Trek voor deze beginfase de eerste twee weken van het schooljaar uit. Het werk komt in deze periode op de tweede plaats. Eerst het groepsproces de goede kant op sturen. Dat betaalt zich in de rest van het jaar terug.
Werk veel aan groepsopdrachten. Doe dit in wisselende groepjes en stel steeds zelf die groepjes samen. Zo voorkom je groepjes binnen de groep. De groepsopdrachten worden altijd gezamenlijk afgesloten.
Zorg dat dit werk alleen te maken is door samen te werken en bespreek na afloop het werk altijd plenair. Kijk daarbij vooral naar het proces. Wat ging goed? De resultaten komen later wel.
Maak samen met je klas de groepsregels. Je hoeft niet bang te zijn dat “jouw” regels daar niet tussen zullen staan. De meeste kinderen houden verbazend veel van dezelfde dingen als de leerkracht.
Hang de regels zichtbaar op en laat iedereen, dus ook de leerkracht, de groepsregels ondertekenen.
Oefen en bespreek de afgesproken regels, verwijs er expliciet naar en houd alle ondertekenaars er aan.
Als de groep een les goed werkt, bespreek dan (laat weten) dat het goed was, hoe je dat kon zien en vraag hoe dat voelde (maak ze bewust worden van de voordelen). Bespreek elke dag even de dag. Trek tien minuutjes uit om de positieve dingen van die dag te noemen. Laat de negatieve bewust achterwege. Zo gaan de kinderen met een goed gevoel naar huis. Wat niet zo goed ging, bespreek je kort van te voren wanneer die situatie zich weer aandient. Zorg ervoor dat niet alleen jij, maar ook de kinderen aan het woord komen. Probeer kinderen te kiezen die waarschijnlijk iets positiefs gaan zeggen.
Benadruk positiviteit: we klappen voor elkaar als iemand iets spannends of goeds doet, we geven complimenten, vieren dat we 10 minuten stil konden werken, geven de dag een cijfer, sluiten af met ‘vrijdagmiddag thee en ga zo maar door
Evalueer de regels na een week. Stel ze zo nodig bij. Doe dit na een aantal weken nog eens. Bijstellen blijkt overigens zelden nodig.
Herhaal gedurende het schooljaar de regels regelmatig. Als zich incidenten voordoen, verwijs dan naar de afgesproken regels. Zorg er dus voor dat de regels niet “zomaar een velletje aan de muur zijn.”
Zorg de eerste twee weken voor een scala aan groepsvormende spelletjes. Doe er een aantal per dag. Ook hier kies jij als leerkracht de groepjes. De spelletjes zorgen voor veel plezier en een positieve groepssfeer. Blijf deze spelletjes ook gedurende het jaar doen, hiermee onderhoud je het positieve klimaat in je groep.
Mocht het op een dag niet zo lekker gaan, doe dan tóch de groepsvormende spelletjes. Bespreek wel, dat je het jammer vindt dat het daarvóór niet zo goed ging. Als je de spelletjes afblaast, werkt dit negatief op het groepsbeeld (”Zie je wel, we kunnen het toch niet”).
Maak de kinderen verantwoordelijk voor hun groep (elkaar) en hun lokaal.
In plaats van een klassendienst van twee kinderen, maak je een takenbord met een scala aan taken. Voor elke taak is een kind verantwoordelijk. Denk aan planten watergeven, boeken rechtzetten, bord schoonmaken, enz.
Hang expres weinig aan de muren als het schooljaar begint. Stimuleer de kinderen om te zorgen voor posters of tekeningen. Zo wordt het snel “hun” lokaal.
Negeer problemen niet, maar maak ze bespreekbaar. Daarmee zet je de toon over omgaan met elkaar.
Problemen tussen kinderen kun je (zeker in de hogere groepen) laten oplossen door de kinderen zelf. Dat kan met jouw hulp of met hulp van kinderen die door beide partijen geaccepteerd worden.
Zorg dat de kinderen meer van elkaar (en van jou) te weten komen. Wat onbekend is, is vaak niet zo leuk. Wat bekender is, wordt vaak leuker. Maak bijvoorbeeld een kennismakingstentoonstelling met ieders lievelingsvoorwerp, maak een poster over jezelf enz.
[1] https://onbelay.co/articles/2017/5/5/tuckman-was-wrong
[2] Dokman, I. (2018). Ik in de Wij. Groepsdynamisch werken in het onderwijs. LVING.nl
[3] https://www.kennisrotonde.nl/sites/kennisrotonde/files/migrate/477-antwoord-theorieen-groepsvorming-po.pdf
[4] Van Engelen, R. (2023). De Groepscode. Huizen: Pica.
[5] Van Engelen, R. (2023). De Groepscode. Huizen: Pica.
[6] Van Engelen, R. (2023). De Groepscode. Huizen: Pica.
[7] De Meulder, T. & De Groot, T. 20240. Groepsdynamiek in het onderwijs Het effect van een nieuwe leerling. HJK, nr 7, 2024.
[8] Van Engelen, R. (2023). De Groepscode. Huizen: Pica.
